Stinzentuin

De naam 'stinzenplant' komt van het Friese woord 'stins' dat een versterkt stenen huis betekent. Dit konden bijv. oude landgoederen, boerenhoven, pastorietuinen en voormalige stadswallen zijn.
Uit die tijd dateert ook het Groningse woord 'steenhuis', met dezelfde betekenis. In Groningen kennen we de borgen en in Drenthe de havezaten. Van de aanvankelijk paar honderd staten, borgen en havezaten in Noord-Nederland zijn er thans nog maar enkele tientallen over.

In zijn algemeenheid gaat het om plantensoorten die aangetroffen worden bij stinzen (staten), borgen havezaten, oude buitenplaatsen, oude boerderijen, kerkhoven en oudere parken. De gemeenschappelijke factor waardoor stinzenplanten zich op deze plekken goed thuisvoelen is de manier van tuinieren.

Veel stinzenplanten hebben de eigenschap dat ze in een bijzonder kort tijdsbestek, namelijk in het voorjaar, voordat de bomen hun blad hebben, groeien, bloeien en zaad vormen. Om dit staaltje van groeikracht ieder jaar weer uit te voeren hebben de planten een grote voorraad reservevoedsel nodig. Dit voedsel ligt opgeslagen in bollen, knollen en wortelstokken.

Door vergraving, natuurlijke bemesting, aanvoer van aarde, het planten van houtgewassen en dat alles jaar in jaar uit over langere tijd, ontstaat een specifiek stinzenmilieu dat afwijkt van zijn omgeving. Het gaat meestal om voedselrijke bodems, zoals klei, zavel- en zwaardere zandgrond, die door bewerking los en luchtig zijn geworden. Bij zware kleibodems lag het accent meer op het luchtig maken, bij zandbodems op het vruchtbaar maken.